Roulette MGM Grand Onetime

Laat ik bij het begin beginnen. Geboren en getogen in een christelijk gezin, was gokken voor ons uit den boze. Zelfs wedden deed je niet en al helemaal niet om geld. Mensen die aan wedden deden waren slecht. Als kind al, kon ik dat  niet begrijpen. Waarom zou je niet mogen wedden.

Als twee mensen met hun volle verstand ergens om wedden en daarmee het risico nemen hun inzet te verliezen, doen ze daar toch niemand kwaad mee? Maar je waagde het niet blijk te geven van je verontwaardiging. Laten merken dat je iets wat verboden was, niet verkeerd of raar vond, stond gelijk aan dominees woord in twijfel trekken.

Onetime Las Vegas Fill geplaatst in Landbased casino door Solidago
op 3 mei 2022
Roulette MGM Grand Onetime

Mijn jeugd

Zodoende ontstonden er al tijdens mijn jeugd, tegenstrijdige gevoelens. Ik wíst dat ik gokken en wedden af moest keuren, maar vóelde dat niet. Op de basisschool, die natuurlijk van christelijke signatuur was, ging ik na het luiden van de schoolbel om half vier, ook met kinderen van de openbare basisschool buiten spelen. Dit mocht van huis uit niet, maar ik deed het stiekem wel. De kinderen van de openbare basisschool waren toch wat vrijer, wat brutaler. Dat trok me wel aan.

Zelf uit een groot gezin komend, dus ook opgegroeid met een groot aantal broers, voelde ik me behoorlijk thuis bij de jongens. Als enig meisje klom ik mee in de hoogste bomen en liet me tijdens het voetbal absoluut niet kennen.

Knikkers

Maar als de lente doorbrak en de zomerse temperaturen het asfalt en de stenen op het schoolplein en de stoepen verwarmden, kwamen de knikkerzakken weer tevoorschijn.  Een muffig stinkend stoffen zakje, genaaid door mijn moeder, had een paar maanden onder mijn bed op mij liggen wachten.

Maar wát een pracht en praal herbergde die muffige stoffen knikkerzak. Hoe had ik mijn glanzende vriendjes al die maanden kunnen vergeten? De kleine katte-ogen, de stuiters, de bonken en reuze bonken? De meeste waren lichtelijk beschadigd, een beetje bekrast. Of nog erger, een stukje glas eraf. De conditie van de knikker bepaalde de waarde. Als een stuiter beschadigd was, telde deze écht niet meer voor vijf kleine knikkers.

Op een prachtig warme woensdagmiddag, de middag dat we altijd vrij waren van school, hadden we om half twee afgesproken om te knikkeren. We, zijn in dit geval een clubje jongens met twee meisjes, waarvan ik er één was. Het andere meisje heette Yvonne. Een beetje een sneu type, die nergens bij hoorde. Ze werd nogal gepest en als ik érgens een hekel aan heb is dat zwakkeren nóg zwakker gemaakt worden. Voor wat de jongens betreft, was er maar één belangrijk. Dat was Ernst. Ernst was de zoon van een bakker. Een stevige, forse jongen met dik, stug blond haar. Dat haar was zó weerbarstig dat de kapper het alleen maar met een tondeuse in bedwang kon houden. Als hij tijdens het knikkeren met een kromme houding en gebogen hoofd klaar zat om een knikker in het potje te pikken, kon ik mijn ogen niet van zijn haar afhouden. Het leek net een borstel. Een borstel die na elk potje de baan zou kunnen schoonmaken en effenen.

Het was zo'n middag dat werkelijk álles goed ging. Althans, bij mij dan. Ik won vrijwel alle potjes, hoe hoog de inzet ook was. De binnenkant van de topjes van mijn duim en wijsvinger deden zeer. Wij knikkerden immers op de ouderwetse manier. Het zogenaamde (erin)pikken. Met de buitenkant van de nagel van de wijsvinger langs de binnenkant van het topje van de duim snerpen. Of andersom, lag er maar net aan of het potje om een zware knikker ging.

Verlies met knikkeren

Ernst, die van zichzelf al niet zo'n vrolijke uitstraling had, wat dat betreft deed hij zijn voornaam eer aan, keek steeds sjaggerijniger. Hij had veel verloren. Zijn mondhoeken hingen een beetje naar beneden en zo nu en dan kneep hij zijn ogen samen. Net alsof hij stevig nadacht. Net alsof hij ergens over twijfelde.

We waren zo'n beetje aan het afronden, het liep al tegen het eind van de middag. Ik was moe en mijn tong leek een leren lap. Te droog om mijn lippen te bevochtigen, ik snákte ernaar om thuis mijn mond onder de kraan te laten hangen en het koude water overdadig naar binnen te kunnen laten gutsen.

Ik was al bezig mijn knikkers in te pakken. Wát een buit, ik zou een grotere knikkerzak moeten zien te regelen, nu moest ik namelijk een aantal in mijn broekzakken proppen.

“Hee! Schijtluis! Je durft zeker niet drie tegen drie bonken!”. Ik zat op mijn knieën, keek naar Ernst zijn schoenen en toen omhoog. Langs zijn korte broek, langs zijn overhemd met korte mouwen, langs zijn dikke nek, langs zijn vastberaden, toegeknepen lippen, langs zijn vlezige neus, waar mijn blik even bleef hangen. Zijn neusvleugels stonden een beetje wijd uit. Het snuiven was nog nét niet hoorbaar.

Ik wist op dat moment niet dat deze gebeurtenis symbolisch was voor latere momenten in mijn leven. Welke keuze te maken? Buigen of knikken? Binnen een paar seconden, die wel minúten leken, flitsten er allerlei gedachten door me heen. Op Ernst zijn uitdaging íngaan? Met het risico al mijn bonken die ik had, te verliezen? Of níet op zijn uitdaging ingaan? Ik was moe en had zó'n verschrikkelijke dorst, eigenlijk wilde ik dolgraag naar huis.

Later, veel later leerde ik dat je op zulke momenten een rationele keuze moet maken. Als je moe bent, moet je uitrusten. Moet je je terugtrekken, al helemaal als het om knikkers, lees geld, gaat. Maar op dat moment was ik erg jong. Mijn blik ging nog hoger totdat ik in de staalblauwe ogen van Ernst keek.

Het duel

Hij keek naar beneden. Zijn mond vertrokken tot een grimmige spleet. Zijn ogen waren bijna uitdrukkingloos. Bíjna, ik ontwaarde iets van ‘Kom maar op trutje', iets van ‘Maak die grote bek van je maar eens waar'.

Terwijl ik omhoog keek en op mijn knieën zat, realiseerde ik me dat mijn positie uiterst ongeschikt was. Als jong meisje al, besefte ik dat lichaamshouding en uitstraling van wezenlijk belang zijn, als het om belangrijke dingen gaat. Pas veel later zou ik van deze kennis gebruik maken.

Maar ondertussen móest ik een besluit nemen. Elke seconde, of zelfs gedeelten van seconden zwakten mijn positie af.

“Pffff”, blufte ik. “Dacht je nou écht dat ik niet durf??”. Terwijl ik rechtop ging staan, keek ik hem aan. Mijn blik maakte indruk. Dat kon ook niet anders, want ik meende wat ik voelde. Terwijl ik vanuit een lage positie omhoog kwam, groeide mijn zelfvertrouwen. Terwijl ik omhoog kwam, voelde ik de kracht vanuit mijn sterke benen omhoog kronkelen.

Even bleven we als twee kemphanen elkaar roerloos aanstaren. De andere kinderen waren doodstil, de spanning was voelbaar. Dit ging niet meer om knikkers. Dit ging om de baas zijn. Dit ging om macht. Macht die verder strekte dan de buit van drie bonken.

Ernst trok met de punt van zijn rechterschoen een verse streep in het zand. Hierachter namen we beide plaats. Bewust of onbewust, de streep was iets verder weg van het potje, dan de vorige. Mooi zo, dacht ik bij mezelf. Hoe langer de afstand, des te beter. Ik was niet zo goed met de korte afstanden.

De jongens gingen langs de zijkanten van de baan staan. Yvonne echter, aan de achterkant van het potje. Met een wanhopige blik keek ze me aan. Haar ogen vroegen wat ik in hémelsnaam aan het doen was. Ze irriteerde me. Slechts één meisje aan mijn zijde en dan ook nog es eentje die me niet steunde. Sterker nog, ook haar wanhoop moest ik nog eens zien te overwinnen.

Later zou ik de onbewuste lessen, die ik tóen al kreeg, moeten toepassen. Negeer omstanders, negeer laffe medestanders, haal je kracht uit jezelf. Haal kracht uit de zwakheden van de ander.

Maar tóen was ik nog een jong meisje. Ik kende de zwakheden van Ernst niet. Ik was me bewust van de jongens die toekeken. En Yvonne's houding en blik, kostte me kracht en maakte me onzeker.

Na tossen mocht ik als eerste gooien. Mijn bonk rolde rechtstreeks het potje in. Maar die van Ernst ook. Het stond 1-1. Mijn tweede bonk gooide ik van de zenuwen veel te zacht. Op ongeveer 40 centimeter afstand van het potje bleef ie liggen. Ik probeerde het geschrokken kreetje wat Yvonne slaakte, te negeren.  De tweede van Ernst rolde weer keurig netjes in het potje. Het stond 1-2.

Mijn derde bonk zou en móest nu echt gelijk in het potje komen, anders zou ik hopeloos achter staan. Dit was gelukkig het geval, nu Ernst nog.  Als hij zijn derde bonk, zoals voor de hand lag, meteen goed zou gooien, was het een kleine moeite voor hem om het potje te winnen. Hij zou dan makkelijk mijn tweede bonk, met één tik in het potje kunnen krijgen.

Steunend op zijn linkerknie, met in zijn rechterhand zijn bonk, keek hij met samengeknepen ogen langs de baan en naar het potje. Hij nam expres zijn tijd en voerde de spanning op. Die klojo ging er nog een hele show van maken!

on air