Een casino is een prachtige plek. Spanning, hoop, glimmende lichten, dat ene moment waarop alles even op z’n plek lijkt te vallen. Maar laten we eerlijk zijn: een casino is ook een plek waar je je soms kapot kunt ergeren aan alles en iedereen om je heen. En soms ook gewoon een beetje aan jezelf.
Want verliezen is natuurlijk nooit leuk. Dat gevoel als je met minder naar buiten loopt dan waarmee je binnenkwam, is van een heel andere orde dan wanneer je als winnaar de deur uit stapt. Misschien is dat ook wel de reden dat ik, als ik een keer voorsta, graag probeer een winst(je) vast te houden. Niet eens alleen om het geld, maar vooral om met een vrolijker hoofd en wat betere energie weer buiten te staan. Een casino voelt toch net anders als je afscheid neemt met een glimlach in plaats van met die bekende blik van: hoe dan?
Toch zit de irritatie vaak niet alleen in het verlies. Nee, het zijn vooral de mensen. De medespelers. De types. De casinofiguren die iedere avond opnieuw lijken op te duiken.
Neem bijvoorbeeld de pottenkijkers. Je zit lekker achter een gokkast, probeert in je eigen bubbel te komen, en voor je het weet hangt er iemand half over je schouder mee te kijken alsof hij persoonlijk is ingehuurd als toezichthouder van jouw saldo. In Holland Casino, in een speelhal, het maakt niet uit. Sommige mensen hebben een feilloos talent om net iets te dicht in je aura te gaan staan. En ja, ik geef eerlijk toe: ik heb mezelf er soms ook schuldig aan gemaakt. Even kijken hoe iemand speelt, hoe het gaat, of er iets moois valt. Maar als het andersom gebeurt, denk je toch al snel: vriend, zoek zelf een kast.
Ook aan de pokertafel kom je van alles tegen. Pokerspelers die uitgebreid zitten te eten terwijl jij chips, kaarten en concentratie probeert te combineren. Dan ruikt het aan tafel ineens meer naar snackbar dan naar spanning. Natuurlijk, een lange pokersessie maakt hongerig, dat snap ik best. Maar ergens ligt er toch een grens tussen praktisch en gewoon irritant. Zeker als iemand met vette vingers zijn kaarten optilt alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
En dan hebben we nog het fooihoofdstuk. Vooral in Las Vegas is dat een sport op zich. Daar lijkt het soms alsof iedereen zijn hand al ophoudt voordat de kaarten überhaupt gedeeld zijn. In Nederland is het gelukkig een stuk minder erg dan vroeger, maar ik kom nog uit een tijd dat sommige croupiers er echt een handje van hadden om subtiel — of minder subtiel — om een fooi te hengelen. En dat haalt voor mij toch iets van de lol weg. Een fooi moet iets zijn wat je graag geeft, niet iets wat je bijna uit sociale druk op tafel smijt.
Wat me ook blijft fascineren, zijn spelers die dingen doen waarvan je denkt: waarom? Mensen die rood en zwart tegelijk spelen bijvoorbeeld. Dan betaal je bijna entree om jezelf in slow motion te zien verliezen. Of spelers die bij blackjack beslissingen nemen waar zelfs een beginner met een vakantiefolder in de hand nog vragen bij zou hebben. Tienen splitsen. Passen op 14 tegen een 10 van de dealer. Het zijn van die acties die een hele tafel collectief laten zuchten. Natuurlijk mag iedereen spelen zoals hij wil, en dat is ook het mooie van gokken: het is ieders eigen geld en ieders eigen keuze. Maar irritant? Jazeker.
Een ander puntje waar ik persoonlijk moeilijk aan wen is dat je in steeds meer casino’s gewoon moet betalen voor je drankje. Voor mijn gevoel hoort een drankje toch een beetje bij de casino-ervaring. Een stukje gastvrijheid, een kleine beloning voor het feit dat jij daar zit met je geld, je tijd en je aandacht. Maar goed, de tijden veranderen. Kosten stijgen, marges krimpen, en blijkbaar is dat tegenwoordig normaal. Ik mag het nog steeds niks vinden.
En dan zijn er natuurlijk altijd die spelers die zeggen dat ze altijd winnen. Je kent ze wel. Nooit hoor je over die verloren avonden, die mislukte sessies, die pintransacties om half twee ’s nachts of dat stille chagrijn op de terugweg naar huis. Nee, van dit type hoor je alleen de jackpotverhalen, de “ik pakte even vijfhonderd euro mee” avonden en de grootse anekdotes waarin het casino structureel de pineut is. Prachtig hoor, maar vaak weet je: als dit allemaal waar zou zijn, zaten ze nu niet naast mij op een plastic stoel bij een fruitautomaat.
Misschien is dat uiteindelijk ook gewoon het mooie van het casino. Het is een mini-maatschappij. Je komt er winnaars tegen, verliezers, bluffers, kijkers, eters, moppers, stille genieters en grootsprekers. Iedereen neemt zijn eigen rituelen, eigenaardigheden en irritaties mee naar binnen. En waarschijnlijk ben ik zelf voor iemand anders ook gewoon onderdeel van dat lijstje.
Want eerlijk is eerlijk: ook ik zal ongetwijfeld wel eens te lang hebben gekeken, te enthousiast hebben gereageerd of net iets te eigenwijs zijn geweest aan tafel. Dat hoort misschien ook wel bij het casinoleven. Zolang we maar blijven lachen, een beetje zelfspot houden en vooral niet vergeten dat het uiteindelijk om vermaak draait.